Toelichting op vragenlijsten

Voor het vaststellen van klachten maakt Brilliant Brain gebruik van de neurofeedback intake meting. Daarnaast geven verschillende gestandaardiseerde vragenlijsten de mogelijkheid om de mate van de klacht vast te stellen. Afhankelijk van de klacht zal uw therapeut u een of meerdere vragenlijsten toesturen of meegeven. Hieronder vindt u van iedere vragenlijst een toelichting.
  • AQ (Autism Spectrum Quotient)

    De AQ-NL vragenlijst (Hoekstra e.a., 2008) is een vragenlijst om de mate van Autisme vast te stellen.Er bestaat een versie die de persoon met een vermoedelijke Autisme Spectrum Stoornis (ASS) zelf kan invullen. Er bestaat ook een partnerversie. Deze laatste is, met toestemming van Prof. dr. S. Baron-Cohen, ontwikkeld.

    De beide versies zijn hetzelfde.

    De vragenlijst bestaat uit een aantal uitspraken waarmee u het eens of oneens kunt zijn. Voor iedere uitspraak is een viertal antwoordmogelijkheden gegeven.

  • AQ voor partner/ouder (Autism Spectrum Quotient)

    De AQ-NL vragenlijst (Hoekstra e.a., 2008) is een vragenlijst om de mate van ASS vast te stellen door de partner of door de ouders.
    Er bestaat een versie die de persoon met een vermoedelijke Autisme Spectrum Stoornis (ASS) zelf kan invullen. Tevens bestaat een partnerversie. Deze laatste is, met toestemming van Prof. dr. S. Baron-Cohen, ontwikkeld. De beide versies zijn hetzelfde. Deze AQ vragenlijst voor partners en ouders bestaat uit een aantal uitspraken waarmee u het eens of oneens kunt zijn. Voor iedere uitspraak is een viertal antwoordmogelijkheden gegeven.
  • ADHD bij volwassenen

    Deze vragenlijst (Zelfrapportage vragenlijst over aandachtsproblemen en hyperactiviteit bestaat uit twee delen.

    Het eerste deel gaat over het gedrag van de cliënt in de afgelopen 6 maanden en het tweede over het gedrag van de cliënt in de kindertijd.
    Ieder deel bestaat uit 23 items. De items dienen te worden beantwoord op een vierpuntschaal:
    0=nooit of zelden,
    1=soms,
    2=vaak,
    3=erg vaak

    Als een item een score van 2 of 3 krijgt is het betreffende symptoom aanwezig.

  • ATEC (Autism Treatment Evaluation Checklist)

    Voor kinderen met een Autisme Spectrum Stoornis (ASS) is er een aparte vragenlijst. Deze meet specifiek de effecten van een therapie. De ATEC mag worden gebruikt vanaf het tweede levensjaar.

    Instructies:
    De ATEC vullen de ouder(s) van de cliënt zowel bij de voormeting, tussenmeting als nameting in. De vragenlijst bestaat uit 4 secties die verschillende aspecten van autisme beoordelen:

    1. Spraak taalgebruik en communicatie (14 items).
    2. Sociaal gedrag (20 items).
    3. Sensorisch en cognitief bewustzijn (18 items).
    4. Gezondheid, fysieke gesteldheid en gedrag (25 items).

    Het is de bedoeling dat de ouder/verzorger een kruisje zet bij de stelling die het meest op het kind van toepassing is.

    Score
    De 4 categorieën leveren 4 aparte scores op. Bij elkaar opgeteld geven ze de totaalscore. Dit geeft de behandelaar inzicht in de domeinen waarop verbeteringen gevonden worden. In alle domeinen geldt dat hoe ernstiger de klachten zijn, hoe hoger de score is. Ook voor de totaalscore is deze regel van toepassing. Een gunstig trainingseffect zou dus waarneembaar moeten zijn in een daling van de totaalscore en een specifieke daling in de schaal waar de hulpvraag ligt.

  • BDI (Beck Depression Inventory)

    De BDI is innzetbaar om de mate van depressieve klachten in kaart te brengen. De vragenlijst kan de patiënt zelf invullen, zonder dat de therapeut helpt.
    De mate waarin iemand depressieve gevoelens heeft, geeft een goede aanwijzing voor de kans dat hij aan een depressie lijdt. Vaststellen of iemand aan een depressie lijdt kan alleen door het stellen van een diagnose. Een arts is de enige die dat kan doen.

    Instructies
    De BDI bestaat uit 13 items met elk 4 stellingen. Het is de bedoeling dat de cliënt een kruisje zet bij de stelling die het meest op hem/haar van toepassing is voor de afgelopen week. Antwoorden kunnen niet goed of fout zijn.

  • CFQ (Cognitive Failure Questionnaire)

    Deze vragenlijst gaat over het geheugen. De vragenlijst bestaat uit 25 vragen naar de frequentie van alledaagse vergissingen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het vergeten van een afspraak, moeite met het nemen van beslissingen, niet merken dat iemand iets zegt of wegwijzers over het hoofd zien.

    De vragenlijst vormt een maat voor belastbaarheid.

    De CFQ wordt veel gebruikt in onderzoek bij patiënten met hersenletsel of psychische stoornissen en in onderzoek naar werkbelasting en stress. Ook kunnen we de lijst inzetten voor evaluaties van behandelingen. De cliënt geeft op een 5-punts schaal aan in welke mate de stelling op hem/haar van toepassing is.

  • CGI (Connor's Global Index)

    De CGI gebruiken we om veranderingen in het klachtenpatroon bij kinderen met ADHD te meten. De CGI bestaat uit 10 items. Klachten die in de vragenlijst naar voren kunnen komen vallen onder het ‘rusteloos-impulsieve’ of het ‘emotioneel instabiele’ domein. De score zal variëren tussen de 0 en de 30 waarbij 0 op geen problematiek duidt en 30 op ernstige problematiek. Bij verbetering van de klachten door de behandeling zal de score afnemen.

  • FAS (Fatigue Assesment Scale)

    De FAS meet en toont vermoeidheid op een eenvoudige manier aan. Deze vragenlijst kan de therapeut inzetten bij jongeren en volwassenen. De vragenlijst vult de client zelf in.

    De FAS bestaat uit tien stellingen. De patiënt geeft aan in hoeverre de stelling betrekking heeft op hem/haar. Per stelling kan de patiënt kiezen uit de antwoordmogelijkheden ‘nooit’, ‘soms’, ‘regelmatig’, ‘vaak’ of ‘altijd’. Het is de bedoeling dat de client zijn keuze omcirkelt.

  • HIT (Headache Impact Test)

    De HIT is een hulpmiddel dat we gebruiken voor het meten van de invloed van hoofdpijn op dagelijkse activiteiten zoals werk, school, thuis en tijdens vrije tijd. De HIT bestaat uit zes items.
    De score maakt duidelijk welke invloed hoofdpijn heeft op het dagelijks leven en functioneren. De vragenlijst kan de client zelf invullen.

    De HIT bestaat uit zes stellingen. De client geeft aan hoe vaak de situatie die de stelling beschrijft, voorkomt. Per stelling kan de client kiezen uit de antwoordmogelijkheden ‘Nooit’, ‘Zelden’, ‘Soms’, ‘Zeer Vaak’ of ‘Altijd’. Het is de bedoeling dat de client zijn keuze aankruist.

  • MMSE (Mini Mental State Examination)

    De MMSE kan de therapeut laten afnemen bij mensen die (beginnend) vergeetachtig zijn bij het vorderen van de leeftijd. De MMSE kan een beeld geven van de cognitieve vaardigheden van een client.

    Vergeetachtigheid is een normale ontwikkeling naarmate de leeftijd toeneemt. Met de vragenlijst kunnen we beoordelen of de vergeetachtigheid 'passend voor de leeftijd' is. Ook kunnen we constateren of er misschien meer aan de hand is. De MMSE nemen we alleen af bij gebleken verschijnselen van vergeetachtigheid tijdens de intake. Indien dit het geval is, is het wenselijk de vragenlijst tijdens de intake, tussenmeting en eindmeting af te nemen en te scoren.

  • ORS (Outcome Rating Scale)

    De ORS is ontwikkeld om de algehele vooruitgang te meten bij patiënten tijdens een behandeltraject. Dit doet de vragenlijst aan de hand van een visuele analoge schaal, ook wel VAS genoemd. De VAS is een lijn van 10 cm. Het begin van de lijn representeert 0%, het einde van de lijn 100%. Het is de bedoeling dat de cliënt een markering op de lijn zet op de plek waarvan hij/zij vindt dat de stelling op hem/haar van toepassing is, zonder daarbij bijvoorbeeld een lineaal te gebruiken.

    De vragenlijst scoort de therapeut door met een liniaal de lengte van de lijn te meten tot aan de markering die de cliënt heeft gezet. De score per vraag bepaalt hij/zij door de lengte van de lijn gemeten in centimeters, op de millimeter nauwkeurig, te meten. De scores van alle vragen telt de therapeut bij elkaar op om de totaalscore op de vragenlijst te verkrijgen.

    Als de behandeling succesvol is, is dat aan de score op de ORS na verloop van tijd te zien. Deze verhoogt.

  • PCL (Pijn Cognitie Lijst)

    De PCL bestaat uit 39 items die te onderscheiden zijn in 5 schalen:
    1. Catastroferen
    2. Beperkingen
    3. Optimisme
    4. Interne controle
    5. Vertrouwen op de gezondheidszorg.

    Per item geeft men met een kruisje aan in hoeverre men het met het betreffende item eens is. De 5 antwoordalternatieven gaan van volledig oneens tot volledig eens.

    Onder de 39 items staat een horizontale lijn. Deze lijn betreft een Visual Analogue Scale (VAS) van 10 cm. Aan de uiteinden van de lijn staan de woorden 'Helemaal geen pijn' en 'De hevigste pijn die u zich kunt voorstellen'. Hierbij kan men de hevigheid van de pijn aangeven door een verticaal streepje te zetten op de lijn. Daarbij gaat het om de gemiddelde pijn zoals die in de laatste week is ervaren. De verbetering van de cliënt bepaalt de therapeut aan de hand van de scores per subschaal.

  • POMS (Profile of Mood States)

    De POMS is een vragenlijst waarmee we de gemoedstoestand meten. De gemoedstoestand is een maat voor het gevoel van welbevinden.

    De POMS bevat vijf schalen. Vier daarvan hebben betrekking op negatieve stemmingsgebieden. Met de vijfde scoren we positieve stemming:

    1. Spanning
    2. Somberheid
    3. Boosheid
    4. Vermoeidheid.
    5. Vitaliteit. Deze heeft betrekking op een positief stemmingsgebied.
  • PSS (Percived Stress Scale)

    De PSS meet de mate van stress, die de client ervaart.

    De PSS is geen diagnostisch instrument. De PSS gebruikt de therapeut met name om het verschil in de mate van ervaren stress uit te drukken na bijvoorbeeld verschillende (ingrijpende) gebeurtenissen of na interventie. Deze vragenlijst is inzetbaar bij jongeren en volwassenen. De vragenlijst kan de client zelf invullen.

    De PSS bestaat uit veertien vragen. De client geeft aan hoe vaak de situatie die in de vraag beschreven wordt, voorkomt. Per item kan de client kiezen uit de antwoordmogelijkheden ‘nooit’, ‘bijna nooit’, ‘soms’, ‘tamelijk vaak’ of ‘zeer vaak’. Het is de bedoeling dat de client per vraag een kruis zet in de voor hem/haar meest toepasselijke antwoordkolom. Hoe hoger de totaalscore is, hoe hoger de mate van stress is die de client ervaart. Op basis van de totaalscore vindt geen stressclassificatie plaats. Deze vragenlijst is met name bedoeld om het verschil in ervaren stress van de client in kaart te brengen vóór en na therapie.


Neem contact op

Mail:

Schrijf je in voor onze informatie

.